Een fietser loopt een hoge dwarslaesie op nadat hij tijdens een val tegen een passerende tram terechtkomt. De gevolgen zijn enorm. Toch is de trambestuurder niet aansprakelijk. Rechtbank Amsterdam oordeelt dat de bestuurder geen enkel juridisch verwijt kan worden gemaakt en dat sprake is van overmacht.
De uitspraak van 15 juli 2026 laat zien dat bij een ongeval tussen een fietser en een motorrijtuig niet alleen de verkeersfout en de ernst van het letsel van belang zijn. Doorslaggevend is ook wat de bestuurder op het moment van het ongeval redelijkerwijs kon voorzien en voorkomen.
Wat was er aan de hand?
Het ongeval vond plaats in de nacht van 11 juli 2021 op de Marnixstraat in Amsterdam. De fietser reed tegen de rijrichting in over een fietssuggestiestrook (vaak rood asfalt, meestal voorzien van een onderbroken streep, maar zonder fietssymbool).
Ter hoogte van de Wim Sonneveldbrug kwamen twee fietsers hem tegemoet. De fietser week voor hen uit, verloor de controle over zijn fiets en kwam ten val. Hij viel naar rechts en kwam met zijn hoofd tegen de passerende tram terecht.
De gevolgen waren zeer ernstig. De fietser liep onder meer verschillende schedel- en nekwervelfracturen op en een hoge traumatische dwarslaesie. Hij werd daardoor blijvend rolstoelafhankelijk en volledig arbeidsongeschikt.
De fietser stelde het GVB en zijn verzekeraar aansprakelijk. Hij stelde onder meer dat de trambestuurder te hard had gereden, onvoldoende had opgelet en had moeten reageren toen hij de fietser tegen het verkeer in zag rijden.
Uit onderzoek bleek echter dat de tram ter plaatse niet te hard reed. De maximumsnelheid was 50 km/u, terwijl de tram bij het naderen van de brug ongeveer 24 km/u reed. Op het moment van het ongeval bedroeg de snelheid ongeveer 19 km/u.
Tijdens de procedure werden verschillende verwijten aan de trambestuurder ingetrokken. Uiteindelijk stond vooral de vraag centraal of de bestuurder had moeten waarschuwen of anderszins had moeten ingrijpen toen hij de fietser tegen het verkeer in zag rijden.
De centrale vraag in de procedure was of de trambestuurder aansprakelijk was op grond van artikel 185 WVW.
Deze bepaling beschermt fietsers bij een ongeval met een motorrijtuig. Een beroep op deze bescherming kan echter worden doorbroken wanneer sprake is van overmacht.
Van overmacht is sprake wanneer de bestuurder rechtens geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Van een bestuurder mag worden verwacht dat hij rekening houdt met fouten van andere verkeersdeelnemers. Dat betekent echter niet dat hij iedere onverwachte gedraging moet kunnen voorzien.
De vraag was daarom:
Moest de trambestuurder rekening houden met het feit dat de fietser, nadat hij tegen het verkeer in had gereden en voor tegemoetkomende fietsers was uitgeweken, plotseling de controle over zijn fiets zou verliezen en tegen de tram zou vallen?
De rechtbank vond van niet
Vaststaat dat de fietser voor de trambestuurder zichtbaar was. Dat betekent volgens de rechtbank echter niet dat de bestuurder ook rekening moest houden met het daadwerkelijke ongevalsverloop.
Vaststaat dat de fietser voor de trambestuurder zichtbaar was. Dat betekent volgens de rechtbank echter niet dat de bestuurder ook rekening moest houden met het daadwerkelijke ongevalsverloop.
De fietser reed tegen de rijrichting in en moest vervolgens uitwijken voor twee tegemoetkomende fietsers. Daarna verloor hij plotseling de controle over zijn fiets en viel hij tegen de tram.
Volgens de rechtbank was deze combinatie van gebeurtenissen voor de trambestuurder niet voorzienbaar. De bestuurder hoefde er niet op bedacht te zijn dat de fietser plotseling zou vallen en tegen de zijkant van de tram terecht zou komen.
Daarbij weegt mee dat de tram niet te hard reed. De snelheid van de tram was aanzienlijk lager dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid.
De rechtbank concludeert daarom dat de trambestuurder rechtens geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Er is sprake van overmacht in de zin van artikel 185 WVW.
Omdat het beroep op overmacht slaagt, komt de rechtbank niet meer toe aan de vraag of bijvoorbeeld de 50%-regel of de billijkheidscorrectie moet worden toegepast.
De vorderingen van de fietser worden afgewezen.
Wat leert deze uitspraak ons
Deze uitspraak maakt duidelijk dat bij artikel 185 WVW het enkele feit dat een fietser ernstig letsel heet opgelopen, niet voldoende is voor aansprakelijkheid.
Ook het feit dat de bestuurder de fiets heeft kunnen zien, betekent niet automatisch dat hij aansprakelijk is. Van belang is wat de bestuurder redelijkerwijs kon en moest voorzien.
In deze zaak maakte de fietser eerst een verkeersfout door tegen het verkeer in te rijden. Het uiteindelijke ongeval ontstond vervolgens doordat hij onverwacht de controle over zijn fiets verloor. De rechtbank vond dat de trambestuurder met deze specifieke ontwikkeling geen rekening hoefde te houden.
Bron: Rechtbank Amsterdam 15 juli 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:9256.