AANSPRAKELIJKHEID OUDER VOOR GEBREK AAN TOEZICHT; OUDERS OPGELET! 3 maart 2020 / Tags:

Een interessante uitspraak van de rechtbank Rotterdam, waarbij door de vader van een minderjarige werd gevorderd dat vast zou komen te staan dat de vader onrechtmatig heeft gehandeld jegens zijn minderjarige zoon.

Het uiteindelijke doel hiervan was uiteraard dat de minderjarige zoon aanspraak zou kunnen maken op vergoeding van zijn schade door de aansprakelijkheidsverzekeraar (ABN AMRO) van zijn vader. Het ging in deze zaak om schade in de vorm van ernstige brandwonden die de minderjarige heeft opgelopen tijdens een barbecue in de tuin bij een tante in juni 2014. De minderjarige was op dat moment zeven jaar oud.

Ondanks onduidelijkheden op enkele, misschien wel belangrijke, onderdelen oordeelde de rechtbank toch dat de vader aansprakelijk is voor de schade van zijn zoon voortvloeiende uit het ongeval van 14 juni 2014 en dat de aansprakelijkheidsverzekeraar van de vader gehouden is tot uitbetaling aan de minderjarige zoon van datgene dat de vader te vorderen heeft van ABN AMRO ter zake van de schade die de minderjarige zoon van het ongeval van 14 juni 2014 heeft geleden. Dit maakt het bespreken van deze uitspraak waard.

Het verweer 
ABN AMRO betwistte gehouden te zijn om tot uitkering over te gaan onder de polis ter zake van letselschade, maar bestreed niet dat de vader de directe actie kon inzetten en ook niet dat, als de vader onrechtmatig gehandeld zou hebben, de polis dekking zou bieden.

Het primaire verweer van ABN AMRO zag erop toe dat de toedracht van het voorval onduidelijk was omdat er, volgens haar, wisselende en tegenstrijdige verklaringen afgelegd zouden zijn. ABN AMRO wees hierbij er op dat:

  • De vader eerst de moeder aansprakelijk had gesteld;
  • De vader vervolgens de tante aansprakelijk had gesteld;
  • De vader nu zichzelf aansprakelijk hield;
  • De vader en moeder eerst verklaard hebben dat de minderjarige zoon (direct) voorafgaand aan het ongeval gespeeld zou hebben met cologne, een licht ontvlambare vloeistof, terwijl dat nu ontkend zou worden.

De bewijsopdracht
De rechtbank heeft bij wijze van tussenvonnis de vader de volgende bewijsopdracht gegeven:

draagt de vader, in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van zijn minderjarige zoon, op te bewijzen dat de vader jegens zijn minderjarige zoon op 14 juni 2014 een onrechtmatige daad heeft gepleegd bestaande uit het, terwijl het stevig waaide, spuiten/druppelen van benzine op de smeulende barbecue nabij de minderjarige en het daarmee voortgaan toen de minderjarige dichterbij kwam, waardoor, nadat een windvlaag opstak, het haar en/of het T-shirt van de minderjarige vlam kon vatten.

In het kader van voornoemde bewijsopdracht heeft de vader vijf getuigen doen horen, te weten de jongvolwassen zus van de minderjarige, de tante van de minderjarige (degene bij wie de barbecue werd gehouden), een nicht van de minderjarige (de jongvolwassen dochter van de tante), de moeder van de minderjarige en zichzelf.

De beoordeling door de rechtbank
Alle vijf getuigen hebben verklaard aanwezig te zijn geweest bij de tante op 14 juni 2014. Van deze vijf getuigen hebber er vier, te weten alle getuigen behalve de vader, verklaard dat zij niet gezien hebben wat er precies is gebeurd. De verklaringen van deze getuigen komen er op neer dat zij zich niet in de tuin ter plekke van de barbecue bevonden maar elders in de woning (van de tante) en dat zij toen zij merkten dat er iets fout was gegaan in de tuin naar de tuin zijn gesneld en dat zij toen waarnamen dat de minderjarige brandwonden had opgelopen en zelfs nog in brand stond.

De rechtbank verbond hier vervolgens de volgende conclusie aan:
r.o. 2.6
De rechtbank acht hiermee in ieder geval bewezen dat de brandwonden van de minderjarige zijn veroorzaakt door het vuur van de barbecue in de tuin van de tante op 14 juni 2014. Gesteld noch gebleken is dat sprake is geweest van enige andere hittebron waarmee de minderjarige op die dag, op die plek, in aanraking is gekomen die het letsel van de minderjarige heeft kunnen veroorzaken. De barbecue valt als enige logische bron aan te wijzen voor het letsel van de minderjarige. In zoverre is de door ABN AMRO ingeroepen onduidelijkheid omtrent de toedracht van het letsel van de minderjarige thans in ieder geval dééls weggenomen.

Met deze beredenering kijkt de rechtbank feitelijk door de onduidelijkheden heen en lukt het haar om de bottom-line eruit te vissen, namelijk dat het letsel van de minderjarige is veroorzaakt door de barbecue.

Vervolgens komt de rechtbank toe aan de beoordeling van de getuigenverklaring van de vader, de enige getuige die het voorval wel heeft zien gebeuren. In verband hiermee citeer ik enkele belangrijke passages uit zijn getuigenverklaring:

(…)Toen ik de tuin in ging was daar niemand. Ik zag in de tuin dat er kool in de barbecue lag. De barbecue is ongeveer een meter (…). Er was geen deksel op. Ik zag dat er kolen in lagen die beetje gloeiden. Ik nam aan dat mijn schoonzus had geprobeerd de barbecue aan te steken, maar dat dat niet was gelukt. Ik ben toen terug gelopen naar de tuindeur en heb mijn schoonzus gevraagd hoe de barbecue normaal gesproken werd aangestoken en ik heb gevraagd of ik hem zou aansteken. Zij vond dat goed en zij heeft gezegd dat er in de schuur een bidon zou staan met vloeistof, die gebruikt werd voor het aansteken. Zij heeft die bidon omschreven als een kleine, witte plastic fles. Ik heb die bidon uit de schuur gepakt, volgens mij stond daar niets op. Ik heb de dop eraf gehaald, maar ik heb niet geroken dat het om benzine ging. Er stond wind en mijn reukzin is slecht. Ik heb pas 6 of 7 weken na het ongeval gehoord dat het benzine was (…).
Ik heb die vloeistof op de kolen gegoten en toen kwam er meteen vuur. Voor de helft was dat vuur in de barbecue en de andere helft was een heel lange, rechte steekvlam, wel meer dan anderhalve meter lang. Het waaide en de wind maakte die steekvlam nog langer. De benzine spetterde ook tijdens het gieten. Toen ik de benzine op de barbecue goot heb ik niet met een aansteker of op een andere manier de barbecue aangestoken (…). Ik had nooit eerder een barbecue met benzine aangestoken (…). Het ging meteen branden toen ik de benzine erop goot.
Toen ik met de bidon richting de barbecue liep, zag ik een paar meter van mij af bij het huis de minderjarige. (…) Toen ik hem in de tuin zag, terwijl ik bij de barbecue was met die benzine, kwam hij op mij aflopen. Ik heb geroepen dat hij niet naar mij toe moest komen, maar hij kwam toch. Toen ik die steekvlam zag was hij anderhalve meter of nog dichter bij de barbecue en hij liep nog steeds in mijn richting. Ik zag dat zijn kleding in brand vloog en dat het vuur naar zijn gezicht toe ging. Ik heb hem opgepakt. Ik weet nog dat ik hem even later onder de kraan hield (…).

De rechtbank acht de getuigenverklaring van de vader geloofwaardig en stelt dat deze ook in overeenstemming is met hetgeen verder vaststaat omtrent de toedracht. De rechtbank gaat hiermee ook voorbij aan het door ABN AMRO geschetste alternatieve scenario waarbij de minderjarige met de brandbare stof cologne gespeeld zou hebben, daardoor met deze licht brandbare stof is besprenkeld en dat hij daarna (te dicht) in de buurt is gekomen van de barbecue, omdat het beschikbare bewijsmateriaal hier onvoldoende aanknopingspunten toe biedt.

De stellingen omtrent cologne zouden als causaliteitsverweer in de zin van art. 6:101 BW geduid kunnen worden. Van deze stellingen draagt ABN AMRO de bewijslast. Zij zijn echter niet komen vast te staan. Hierbij is van belang dat ook de medische verklaringen aangaande het letsel niet wezen op de aanwezigheid van cologne.

Van belang is voorts dat ABN AMRO expliciet geen eigen schuldverweer heeft gevoerd. De rechtbank laat, bij gebreke hiervan, ook in het midden of bij een kind van slechts zeven jaar oud het eigen schuld verweer zou zijn opgegaan.

De rechtbank gaat dus concluderend uit van een situatie waarin de vader benzine heeft gesprenkeld op een reeds smeulende barbecue. Uitgaande hiervan oordeelt de rechtbank dat de vader, als degene die een reeds smeulende barbecue (verder) aanmaakte door daar benzine op te gieten, een – wezenlijk – gevaarzettende situatie in het leven heeft geroepen.

In geval van gevaarzetting zijn uiteraard de criteria van het Kelderluikarrest maatgevend (HR 5 november 1965, LJN AB7079, NJ 1966/136). De rechtbank komt dan ook in r.o. 2.9 toe aan toetsing hieraan en oordeelt als volgt:

Benzine is een vluchtige (snel verdampende) en zeer brandbare stof. Daargelaten of benzine (of een andere brandstof waarvan men, zoals hier, moet aannemen dat deze min of meer gelijkwaardige eigenschappen bezit als benzine) überhaupt geschikt is om de barbecue mee aan te maken, is de benzine in ieder geval niét geschikt om op een reeds smeulende barbecue te gooien. Dat geldt te meer nu de vader een onbekende vloeistof (die later een soort benzine bleek te zijn) gebruikte, waarmee hij geen ervaring had. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gooien van benzine op smeulend vuur het risico oplevert van (steek-)vlammen. Steekvlammen leveren in het algemeen, als er mensen in de buurt zijn, gemakkelijk brandwonden op, die zeer ernstig kunnen zijn. Vanwege het onvoorspelbare gedrag van vuur in de open lucht is dat een groot risico. Dat geldt al als het windstil is en des te meer als het waait. Uit de getuigenverklaringen volgt genoegzaam dát het waaide. (…) De betwisting van ABN AMRO Schadeverzekeringen dat het hard waaide noopt niet tot een ander oordeel. Ook bij geringe wind (en zelfs bij windstilte) acht de rechtbank, zoals gezegd, het gedrag, reeds te risicovol.

De vader wist dat er kinderen in en om het huis waren, onder wie zijn minderjarige zoon. Er bestond naar het oordeel van de rechtbank een grote kans op onvoorzichtig gedrag door de minderjarige. Het gaat hier om een relatief jong kind, op wie vuur en een barbecue grote aantrekkingskracht kunnen hebben. Jonge kinderen zijn ook zeker niet altijd genegen om op eerste bevel van een ouder (in dit geval: het bevel om niet dichterbij te komen), direct te gehoorzamen.

Het was, ten slotte, relatief eenvoudig om adequate veiligheidsmaatregelen te treffen door de barbecue niet aan te maken met benzine maar met aanmaakblokjes, zoals de vader zelf zegt dat hij normaliter deed.

De rechtbank oordeelt vervolgens dat de conclusie gerechtvaardigd is dat de vader toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld tegenover zijn minderjarige zoon.

Volgens de rechtbank leidt het ook niet tot een ander oordeel dat de vader zijn minderjarige zoon waarschuwde om niet in de buurt van de barbecue te komen en dat hij daar niet op reageerde. Ten opzichte van kinderen als potentiële slachtoffers van gevaarzetting moet immers in verhoogde mate rekening worden gehouden met onoplettendheid en onvoorzichtigheid. Het was aan de vader om adequate maatregelen te nemen, een waarschuwing was onvoldoende.

De rechtbank volgt met voorgaande beredenering de lijn die werd ingezet door de rechtbank Gelderland in haar beschikking van 10 september 2018 (ECLI:NL:RBGEL:2018:4466) waarin de deelgeschilrechter eveneens diende te oordelen over de aansprakelijkheid van een ouder (jegens het kind) wegens het gebrek aan toezicht.

In die zaak ging het om een zesjarig meisje die ernstig hersenletsel opliep ten gevolge van een trap van een paard tegen het hoofd. Het dochtertje en haar broertje hadden toestemming van de moeder om appels te voeren aan een wit paard en een bruin paard, die achter een hek in de wei rondliepen, met de uitdrukkelijke instructie om achter het hek te blijven. Zij negeerden echter de instructie van de moeder.

De moeder sprak de bezitter van de betreffende paard aan. Zij sprak echter ook haarzelf en haar aansprakelijkheidsverzekeraar aan. Met betrekking tot de aansprakelijkheid van de bezitter van het paard oordeelde de rechtbank dat hier nader onderzoek voor nodig was en dat daarvoor geen ruimte was in de deelgeschilprocedure. Met betrekking tot aansprakelijkheid van haarzelf (de moeder) formuleerde de deelgeschilrechter het juridisch kader als volgt:

r.o. 4.6:
Een ouder heeft de zorg en de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van het kind en heeft uit dien hoofde de plicht het kind te behoeden voor gevaar. Een ouder dient echter ook de ontwikkeling van de persoonlijkheid van het kind te bevorderen en meer in het algemeen het kind op te voeden. Hierbij past dat een ouder het kind de nodige vrijheid en zelfstandigheid gunt zodat het kind zich ook kan ontwikkelen. Daarbij zal het kind onvermijdelijk welbewust aan risico’s moeten worden blootgesteld. Vergelijk art. 1:247 leden 1 en 2 BW. Het is in de eerste plaats aan de ouder, om aan de hand van zijn visie op opvoeden en het karakter en de leeftijd van het kind, te bepalen welke risico’s nog wel en welke niet meer aanvaardbaar zijn. De rechter heeft deze beoordelingsvrijheid in beginsel te respecteren. Dit betekent niet dat de keuze van een ouder tegenover het kind niet onrechtmatig kan zijn. (…)

De deelgeschilrechter oordeelde uiteindelijk dat de moeder tekort was geschoten in haar ouderlijk toezicht. Het meisje was de kleuterleeftijd nauwelijks ontgroeid. Het bijzondere risico dat paarden tegenover kinderen vormen had de moeder onvoldoende beteugeld door een scherpe instructie te geven en omdat de paarden enige honderden meters verderop in de wei stonden, had de moeder erop kunnen/moeten anticiperen dat de kinderen haar verbod zouden negeren. Dit heeft zij echter nagelaten waardoor zij aansprakelijk werd geacht.

Ook in onderhavige zaak liet de rechtbank bij haar oordeel ter zake de aansprakelijkheid meewegen dat de waarschuwing van de vader om niet in de buurt van de barbecue te komen onvoldoende was, omdat het om een jong kind gaat op wie vuur en een barbecue grote aantrekkingskracht (kunnen) hebben en dat de vader hierop had kunnen/moeten anticiperen door het nemen van adequate maatregelen.

Ten slotte gaat de rechtbank in op de op sommige punten tegenstrijdige, niet-consistente verklaringen die de ouders van de minderjarige hebben afgelegd. De rechtbank onderkent dit ook. Zij onderkent ook dat het ongerijmd voorkomt dat de vader eerst de moeder aansprakelijk heeft gesteld, daarna de tante en uiteindelijk zichzelf.

Zonder al te veel in te gaan op de redenen hiervoor oordeelt de rechtbank echter dat dat voor de beoordeling van de directe actie niet ter zake doet. De rechtbank stelt namelijk dat voor zover ABN AMRO in dat verband aan de handelingen van de vader consequenties wil verbinden zij dat onvoldoende toegelicht heeft en dat op basis van de beschikbare bewijsmiddelen niet gezegd kan worden dat sprake is van een poging om ABN AMRO als aansprakelijkheidsverzekeraar tot uitkering te bewegen terwijl er geen aansprakelijkheid bestaat.

Conclusie
Zoals gezegd worden de vorderingen van vader q.q. toegewezen. Hierbij dient toegegeven te worden dat de situatie niet zo complex is als men op het eerste gezicht wellicht zou denken (en dat de situatie veel minder complex geweest zou zijn als de vader direct zichzelf aansprakelijk had gesteld).

De rechtbank concludeert terecht dat sprake is van een gevaarzettende handeling van de vader en toetst deze handeling vervolgens aan de criteria van het Kelderluikarrest. Ook met betrekking tot de afgegeven waarschuwing om niet dichterbij de barbecue te komen oordeelt de rechtbank terecht dat dit niet tot een ander oordeel leidt, omdat ten opzichte van kinderen als potentiële slachtoffers van gevaarzetting in verhoogde mate rekening dient te worden gehouden met onoplettendheid en onvoorzichtigheid. Ouders dienen dus meer te doen dan enkel het waarschuwen van hun kind(eren) voor gevaren.

Met betrekking tot de op sommige punten tegenstrijdige en niet-consistente verklaringen is ten slotte enige nuancering op zijn plaats. Het ongeval dateert immers van een aantal jaren geleden waardoor het begrijpelijk is dat de getuigen zich niet alles (zo goed) meer voor de geest kunnen halen. Tevens dient in ogenschouw te worden genomen dat de getuigen het ongeval vanwege de schoksituatie allen (enigszins) anders hebben kunnen ervaren.

Inmiddels is bekend geworden dat ABN AMRO in hoger beroep zal gaan tegen de uitspraak van de rechtbank waardoor het laatste woord hierover nog niet gezegd en geschreven is. De procedure bij het gerechtshof zal ongetwijfeld tot interessante nieuwe inzichten en discussies leiden op het gebied van aansprakelijkheid van ouder(s) jegens hun eigen kinderen.

Geschreven door dhr. R.H. Ekiz – Elfi Letselschade